Naar aanleiding van de opmaak van een nieuw beleidskader voor internationale wetenschappelijke en technologische samenwerking, waarbinnen ook de ondersteuning van Vlaamse onderzoekers bij deelname aan grootschalige onderzoeksinfrastructuren (CERN, ESRF ...) aan bod zal komen, vroeg viceminister-president Fientje Moerman de VRWB om advies. Een belangrijk aspect hierin blijkt de vraag of de investeringen (federaal en Vlaams) wel beantwoorden aan een wetenschappelijke nood en welke de te verwachten economische en wetenschappelijke return is.
De minister stelde meer specifiek volgende vragen:
- Wat is de return voor Vlaanderen van de deelname aan de genoemde infrastructuren?
- Dient er een intra-Belgische verdeelsleutel gehanteerd voor de toewijzing van de Belgische gebruikstijd in deze infrastructuren, en zo ja welke?
- Is de toegewezen gebruikstijd voldoende, is er sprake van een tekort of eventueel zelfs van een onderbenutting?
- Wat is de behoefte van de Vlaamse onderzoeksgemeenschap voor deze infrastructuren?
- Op welke wijze worden de onderzoeksprojecten in deze infrastructuren geëvalueerd en gefinancierd? Gebeurt er binnen de internationale infrastructuur een pre-screening? Wat is het slaagpercentage?
- Hoe verloopt de financiering van Vlaamse projecten die gebruik maken van deze infrastructuur en hoe kan het systeem mogelijk verbeterd worden?
Om vrij concreet te kunnen antwoorden op de door de minister geformuleerde vragen en om aanbevelingen te formuleren die steunen op een voldoende lange ervaring, werden een viertal grote onderzoeksinfrastructuren aan een uitgebreide analyse onderworpen. De focus lag enkel op die grote Europese installaties of instituten waarvoor het lidgeld federaal wordt bijgedragen en waarvoor het Vlaamse gewest de middelen biedt aan onderzoekers om optimaal op de geboden opportuniteiten in te spelen. Het betreft CERN, synchrotronstraling (ESRF/EMBL), ESO en EMBO-EMBC-EMBL.
Het boek bestaat uit twee delen. Deel I geeft de vaststellingen en aanbevelingen weer die de VRWB formuleerde. Deel II is het eigenlijke syntheserapport, dat zoveel mogelijk kwantitatieve en kwalitatieve gegevens bundelt over deze internationale onderzoeksorganisaties en de Belgische en Vlaamse deelname hieraan. Het is een informatieve brochure, waarin de verschillende hoofdstukken zoveel mogelijk zijn uitgewerkt volgens eenzelfde stramien:
- historiek
- doelstelling en deelnemende landen
- organisatie en structuur
- infrastructuur en wetenschappelijke programma's
- begroting
- deelname van België en, indien gegevens beschikbaar, van Vlaanderen over de financiële bijdrage, wetenschappelijke en industriële return en aandeel in personeel.