De VRWB maakte de balans op van het begrotingsbeleid voor wetenschap en innovatie tijdens de voorbije legislatuur 2004-2009. De Raad voerde ook de tweejaarlijkse monitoring uit van het Vlaams Innovatiepact 2003 aan de hand van de 11 VRWB-kernindicatoren.
Evaluatie van de budgettaire inspanningen van de Vlaamse Overheid
In absolute bedragen stegen de overheidsmiddelen voor O&O tijdens de afgelopen legislatuur 2004-2009 zeer sterk, met ongeveer 40% tot 1 147 miljoen euro. De VRWB vindt het uiteraard positief dat de Vlaamse Regering haar engagement uit het Innovatiepact om jaarlijks 60 miljoen euro extra te investeren in onderzoek en ontwikkeling correct is nagekomen. Deze inspanningen zijn evenwel ruim onvoldoende gebleken om de 1%-norm te halen in 2010. Het is zelfs zo dat de overheidskredieten voor O&O uitgedrukt in functie van het BBPR op het einde van de legislatuur iets lager liggen dan bij de start (0,71% in 2009 t.o.v. 0,73% in 2004). Dit houdt in dat de extra inspanningen voor O&O maar net gelijke tred hielden met de economische groei. Bovendien merkt de VRWB op dat een groot deel van de bijkomende middelen tijdens de voorbije legislatuur een eenmalig karakter hadden, en dus niet structureel verworven zijn.
De Raad roept de nieuwe Vlaamse Regering op om prioritair haar aandacht te richten op wetenschap en innovatie om van Vlaanderen een topregio te maken in een wereldwijde kennismaatschappij. Door net in tijden van economische crisis resoluut te kiezen voor bijkomende financiering voor onderzoek en ontwikkeling zal Vlaanderen een betekenisvolle voorsprong kunnen uitbouwen. Het behalen van de 3%-norm moet daarbij onverminderd het richtsnoer blijven, en dit tegen 2014.
Een nieuw budgettair groeipad voor de realisatie van de 1%-norm in 2014 moet worden verankerd in een meerjarenbegroting. Op basis van officiële groeiprognoses van begin juli 2009 komt dit neer op 177 miljoen euro aan extra O&O-middelen, en dit vanaf 2010 structureel en elk jaar opnieuw. De VRWB pleit ervoor om voor de regeerperiode 2009-2014 een globaal meerjarenplan op te stellen voor wetenschap en innovatie, gekoppeld aan die meerjarenbegroting. Dit moet het ruimer kader vormen waarbinnen gefundeerde afwegingen kunnen worden gemaakt voor enerzijds de ondersteuning en gerechtvaardigde versterking van de zeer gediversifieerde bestaande kanalen en anderzijds de nood aan middelen voor het gericht inzetten op strategische domeinen die moeten leiden tot doorbraken (cfr. VRWB clusters en ViA-doorbraken).
Niet alleen de overheid, ook de ondernemingen moeten hun verantwoordelijkheid opnemen. Het bedrijfsleven moet zijn O&O-inspanningen sterk opdrijven om de doelstelling van 2% van het BBPR te halen. Bedrijven die nu besparen op innovatie zijn fout bezig. Innovatie is immers dé sleutel om op lange termijn hun continuïteit te garanderen.
Daarbij mogen we niet uit het oog verliezen dat de 3% norm een pure inputnorm is, die niets zegt over de opbrengst die we uit die O&O-investeringen mogen verwachten. Dus hamert de VRWB op de noodzaak om die extra middelen op een strategische, gecoördineerde en selectieve manier in te zetten. Bovendien moet meer werk gemaakt worden van effectmeting aan de hand van duidelijke en passende maatstaven.
Evaluatie van het Vlaamse Innovatiepact
Wanneer we de Vlaamse data voor de 11 kernindicatoren voor innovatie internationaal, en meer bepaald relatief ten opzichte van het EU-27-gemiddelde, uitzetten, blijkt Vlaanderen nog steeds een eerder gemiddeld innovatieprofiel te vertonen. Vergelijken we de Vlaamse scores met de top 3-landen (i.e. Finland, Zweden en Denemarken), dan is het beeld echter zeer ontnuchterend en moeten we vaststellen dat Vlaanderen op het vlak van onderzoek en ontwikkeling nog een lange weg naar de top heeft af te leggen. In het licht van het Vlaanderen-in-Actieplan - waarbij Vlaanderen de ambitie moet hebben om tegen 2020 tot de top 5 regio's van Europa te behoren - vormt dit een belangrijke boodschap aan de Vlaamse Regering.
Doorheen de tijd stellen we vast dat Vlaanderen aan de inputzijde op een aantal factoren vooruitgang heeft geboekt, maar op een even groot aantal erop is achteruit gegaan. Zorgwekkend is vooral de terugval op het vlak van effecten en impact. Zo blijft Vlaanderen kampen met een groot probleem op het vlak van absorptiecapaciteit, dat bovendien steeds belangrijker wordt. Het Vlaamse valorisatiepotentieel blijft onderbenut. Deze vaststellingen verdienen primordiaal aandacht en dit vraagt een beleidsaanpak die het O&O-beleid overschrijdt.