Minister Ceysens vroeg de VRWB om advies over het voorontwerp van decreet over de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid. De VRWB keek hierbij met bijzondere belangstelling naar hoofdstuk III uit dit ontwerpdecreet, dat de oprichting regelt van zijn opvolger: de strategische adviesraad voor de beleidsvelden wetenschap en innovatie. Het voorontwerp van decreet laat de naam hiervan nog open, en de VRWB schuift 'Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie' naar voor als nieuwe naam, of korter VRWI. Deze minimale naamsverandering geeft aan dat er continuïteit is tussen de werking van de VRWB en de nieuwe VRWI. Toch dekt de nieuwe naam veel beter de beoogde lading, door de inclusie van 'innovatie'.
Meer inhoudelijk merkt de Raad op dat er een tegenspraak is tussen het voorliggend voorontwerp van organiek decreet en het ontwerp van decreet tot wijziging van het SERV-decreet. De Raad vraagt aan de Vlaamse Regering om deze tegenstelling uit te klaren. De Raad benadrukt dat de VRWI als eerste de bevoegdheid heeft over de beleidsvelden 'wetenschap en innovatie', zoals de SERV als SAR de eerste bevoegdheid heeft over het beleidsveld 'economie'. Maar de VRWB kan onmogelijk akkoord gaan met de omschrijving in de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet tot wijziging van het SERV-decreet, die zegt: "Wat het beleidsveld 'technologische innovatie' betreft, zijn er dus twee adviesraden actief: de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid, opgericht bij decreet van 15 december 1993, en de strategische adviesraad SERV."
Vier van de zes leden die in de VRWB zetelen op voordracht van de SERV, konden dit laatste niet onderschrijven en formuleerden een minderheidsstandpunt ter zake, bijgevoegd bij het advies.
Verder heeft de VRWB bezwaar tegen het dwingende karakter van gezamenlijke advisering met andere adviesraden. De VRWB herhaalt uit zijn Aanbeveling 30bis dat het aan de adviesraden moet worden overgelaten "om te bepalen wanneer het opportuun is om gezamenlijk advies uit te brengen." De Raad merkt ook op dat geen enkele andere strategische adviesraad waarmee de VRWB samenwerkt een dergelijke bepaling kent.
Met betrekking tot de samenstelling van de VRWI werkt de VRWB in dit advies een nieuw compromisvoorstel uit en stelt voor om het aantal leden voorgedragen door de Strategische Onderzoekscentra (SOCs) op te trekken van 1 naar 2, waardoor het totaal aantal leden op 21 komt. Ook vraagt de VRWB om af te stappen van het verplicht uitnodigen voor de Raadsvergaderingen van leidend ambtenaren uit het beleidsdomein EWI, en het eerder aan de VRWI over te laten wanneer hun expertise gebruikt kan worden. Dat zou de VRWI-regelgeving ook conform maken aan deze van andere strategische adviesraden die een dergelijke bepaling niet kennen.
Nog in het kader van het voltooien van de implementatie van Beter Bestuurlijk Beleid, worden via dit voorontwerp van decreet het IWT en het FWO als EVA's ingepast in de BBB-filosofie. Met betrekking tot het IWT adviseert de VRWB om in de Raad van Bestuur het aantal vertegenwoordigers uit de associaties op te trekken van vier naar vijf, en het aantal leden met voeling met het bedrijfsleven (inclusief social profit) te verhogen van drie naar vier.
Wat het FWO betreft, stelt de Raad zich de fundamentele vraag wat de meerwaarde is van het inschakelen van deze 'privaatrechtelijke stichting van openbaar nut' in BBB door het te kwalificeren als een privaatrechtelijk vormgegeven EVA. In het algemeen is de Raad bekommerd over de wetenschappelijke onafhankelijkheid van het FWO onder de voorgestelde decretale bepalingen, en vraagt met aandrang garanties die deze onafhankelijkheid waarborgen. De Raad benadrukt dat de beroepsprocedure voor aanvragers naar Europees voorbeeld beperkt moet blijven tot administratieve, procedurele beroepskwesties, en dat er in het bijzonder geen beroep mag aangetekend worden op basis van wetenschappelijke bezwaren. De VRWB uit verder zijn bezorgdheid over de sterk toegenomen inmenging van de Vlaamse overheid in het beheer van het FWO, en adviseert deze evenwichtiger te maken, op een manier die haar onafhankelijkheid kan garanderen.