De VRWB wordt door minister Fientje Moerman om advies gevraagd bij een 'overgangs'besluit dat een reglementaire basis creëert voor de toekenning en verdeling van de industriële onderzoeksfondsen in 2006 en 2007.
De VRWB vindt in de gegeven omstandigheden dergelijke overgangsregeling voor 2006 en 2007 de beste werkwijze.
De Vlaamse Regering laat de keuze aan de universiteit en/of associatie om het IOF in te vullen, wat door de Raad wordt onderschreven. Het idee dat de hogescholen op termijn nauwer betrokken worden bij de uitwerking van het IOF kan eveneens op instemming rekenen. Maar dit mag niet leiden tot een verdere versnippering van de huidige beperkte IOF-middelen. Integendeel, extra middelen moeten zodanig worden beheerd en aangewend dat zij de integratie van hogescholen en universiteiten binnen de associaties bevorderen.
In die zin zou de aanpassing van de samenstelling van de IOF-raad een geleidelijk proces moeten zijn, waarbij de associatie stapsgewijs toetreedt, afhankelijk van de bijkomende financiering, het aantal geïntegreerde projecten in aanvraag en toegekend, en de noodzaak aan bijkomende expertises vanuit de hogescholen. Verdeling van de geledingen en minimaal aantal vertegenwoordigers, zoals voorgesteld in het ontwerpbesluit, is niet altijd de beste oplossing.
Een belangrijke parameter in de interuniversitaire verdeelsleutel is het procentuele aandeel van iedere universiteit in het geheel van industriële inkomsten. Hierbij maakt de VRWB een aantal kanttekeningen:
- de inhoud van het begrip industriële inkomsten moet voor alle universiteiten op een eenduidige manier worden afgebakend en de inkomsten op een eenvormige manier worden berekend;
- industriële inkomsten via universitaire ziekenhuizen moeten eveneens in rekening worden gebracht, maar mits een duidelijke band met onderzoek dat binnen de universiteit gebeurt;
- àlle industriële inkomsten moeten kunnen meetellen, incl. de licentie-inkomsten;
- de contractinkomsten van de EU-Kaderprogramma's mogen niet beperkt worden tot het 5de KP, maar de mogelijkheid moet worden opengelaten om (van zodra mogelijk) ook betrouwbare en volledige gegevens voor het 6de KP op te nemen.
Tot slot betreurt de Raad dat het groeipad van de financiële middelen dat in het vooruitzicht werd gesteld voor het IOF, dat naast FWO, BOF en SBO de vierde pijler zou worden in onderzoeksfinanciering in Vlaanderen, niet wordt bestendigd.
